Vraag:
Veel van mijn vrienden hebben me gevraagd over het hebben van relaties met het andere geslacht. Nu heb ik hen verteld dat dit Haram is in Islam maar zij geven me antwoord door te zeggen dat Khadija (RAAH) verliefd werd op onze Profeet (SAS) en hem huwde. Ik heb vele boeken gelezen en zelfs op het internet heb ik geen informatie gevonden over hoe zij trouwden en alles wat ik wist was dat de oom van onze Profeet (SAS) het aanbod accepteerde en hen huwde. Nu wil ik weten of zij (Profeet (SAS) en Khadijah (RAAH) elkaar ooit ontmoet hebben voor het huwelijk?
Antwoord:
Alle lofprijzingen komen Allaah toe.
De overleveringen van de seerah (biografie van de Profeet) indiceren dat Khadeejah bint Khuwaylid (moge Allaah tevreden met haar zijn) een vastbesloten en intelligente vrouw was, en ze was ook rijk en had verschillende soorten handel. De mannen van haar mensen waren er op gebrand haar te huwen. Ze hield zich zelf niet direct bezig met de handel, maar ze had mannen in dienst om namens haar te werken.
Het nieuws bereikte Khadeejah van de meest eerlijke en betrouwbare Muhammad (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem); ze hoorde veel over zijn eerlijkheid en betrouwbaarheid, dus ze wilde hem huren om voor haar te werken en om namens haar te handelen. Ze stuurde iemand naar hem met een aanbod van werk, en hij (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) ging daar mee akkoord.
De Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) ging op weg om de handel te doen met het geld van Khadeejah (moge Allaah tevreden met haar zijn), en er was een slaaf van Khadeejah bij hem wiens naam Maysarah was. Maysarah zag de tekenen die de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) overkwamen terwijl hij aan het reizen was, en dat verwonderde hem, dus hij begon zijn meesteres Khadeejah over alles wat hij had gezien te vertellen.
Bijvoorbeeld, toen de Boodschapper (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) naar de stad van Busra in Syrië kwam, stopte hij in de schaduw van een boom, en een van de monniken zei tegen Maysarah, “Niemand stopt onder de schaduw van deze boom behalve een Profeet.” En Maysarah zag twee engelen die de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) schaduw gaven toen de hitte van de zon te intens werd.
De Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) kwam terug van die reis, en hij had veel meer geld gemaakt met het handelen voor Khadeejah dan ooit iemand gedaan had. Khadeejah was onder de indruk van de persoonlijkheid van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en ze wilde hem huwen. Dus ze stuurde haar vriendin Nafeesah bint Maniyyah om de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) daarover te vertellen. Hij (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) ging er mee akkoord, en het huwelijk van Khadeejah (moge Allaah tevreden met haar zijn) werd gearrangeerd door haar vader Khuwaylid, volgens de betrouwbaarste overleveringen, zoals vermeld door de geleerden van seerah.
Van bovenstaande is het duidelijk dat er geen onbehoorlijke relatie was tussen de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Khadeejah (moge Allaah tevreden met haar zijn) voordat hij haar huwde.
De manieren van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) waren deugdelijk en hij leefde een deugdelijk leven; Allaah beschermde hem tegen alles dat afbreuk kon doen aan zijn boodschap of wat tegenstrijdig was aan bescheidenheid en ridderlijkheid.
Als zoiets gebeurd was – maar hij (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) is ver boven zoiets – zouden de kuffaar van Quraysh er niet stil over gebleven zijn. Zij zouden het beschouwd hebben als een grote bron van schaamte en ze zouden het als een middel gebruikt hebben om zijn religie te verwerpen en zijn reputatie te bezoedelen. Maar niets van dat gebeurde, integendeel, voor zijn Profeetschap noemde men hem al-Saadiq (de eerlijke) en al-Ameen (de betrouwbare). Zij uitten helemaal geen laster op zijn kuisheid.
Je zou ook moeten opmerken dat de Profeten (vrede zij met hen) – alle Profeten – de perfectste en besten zijn van de mensheid. Allaah kiest niemand om Zijn Boodschap over te brengen behalve degenen die er voor in staat zijn. Allaah zegt (interpretatie van de betekenis):
“Allah weet beter waar Hij zijn Boodschap brengt.”
[al-An’aam 6:124]
Ibn Katheer (moge Allaah hem genadig zijn) zei:
Dit betekent, Hij weet het beste waar Zijn Boodschap te plaatsen en wie het beste er voor in staat is onder Zijn schepping. Dit is zoals het vers (interpretatie van de betekenis):
“En zij zeiden: Was de Koran maar neergezonden aan een vooraanstaande man in (ieder van) de twee steden.’
[al-Zukhruf 43:31]
Wat zij bedoelden was, als deze Qur’aan gezonden was aan een grote man of leidend figuur die een hoge status had in hun ogen “van de twee steden”, Makkah en al-Taa’if. Dat was omdat zij – moge Allaah hen vervloeken – de Boodschapper (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) verachtten uit haat en jaloezie, en koppigheid en trots, zoals Allaah ons vertelt (interpretatie van de betekenis):
“En als degenen die ongelovig zijn jou zien, zullen zij jou slechts spottend behandelen: “is dit degene die jullie goden verwijten maakt?”En in het gedenken van de Barmhartige geloven zij niet.”
[al-Anbiya’ 21:36]
En Allaah zegt (interpretatie van de betekenis):
“En wanneer zij jou zien (O Moehammed) nemen zij jou slechts tot onderwerp van bespotting. “Is die het, die Allah als Boodschapper heeft gestuurd?”
[al-Furqaan 25:41]
“En de Boodschappers vóór jou werden zeker bespot, maar degenen die hen belachelijk maakten werden door hetgeen waarmee zij de spot dreven (met straf) omsingeld.”
[al-An’aam 6:10]
Dit gebeurde ook al waren zij zich bewust van zijn deugdelijkheid, nobelheid en afkomst, en de zuiverheid van zijn huis en opvoeding. Voordat de Openbaring naar hem kwam, verwezen ze onder zichzelf naar hem als al-Ameen (de betrouwbare). De leider van de kuffaar, Abu Sufyaan, gaf toe dat toen Heraclius, de heerser van Rome, hem vroeg “Wat is zijn afkomst onder jullie?” Hij zei, “Van nobele afkomst.” Hij vroeg, “Beschuldigde u hem ooit van liegen voor wat hij had gezegd?” Hij zei, “Nee.” In deze lange conversatie nam de Romeinse heerser de zuivere eigenschappen van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) als bewijs dat zijn Profeetschap echt was en dat wat hij zei waar was.
De geleerden (moge Allaah hen genadig zijn) verklaarden dat de Profeten beschermd werden tegen het begaan van grote zonden en elke soort zonde welke wijst op het karakter van degene die het doet.
Ibn al-‘Arabi zei; “Muhammad (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) werd beschermd door zijn Heer tegen het begaan van zonden, of het nu gedurende de Jaahiliyyah was of daarna, als een eer van Allaah, zodat hij een grote lovenswaardige status kon innemen. Dus door zijn leven heen werd hij beschermd tegen zonden.
Al-Nawawi (moge Allaah hem genadig zijn) zei:
U zou moeten opmerken dat de geleerden van mening verschilden over of de Profeten zonden konden begaan. Al-Qaadi vatte de belangrijkste punten van deze kwesties samen toen hij zei… met betrekking tot zonden, er is geen verschil van mening dat de Profeten werden beschermt tegen het begaan van een grote zonde. Insgelijks was er geen verschil van mening dat zij werden beschermd tegen kleine zonden welke slecht zijn voor iemand en zijn status verlagen en zijn karakter verwoesten. Maar zij verschilden van mening over of de Profeten andere soorten kleine zonden konden begaan. De meeste fuqaha’, hadeeth geleerden en geleerden van kalaam onder de vroegere en latere generaties zijn van mening dat zij zulke kleine zonden hadden kunnen begaan. Zij citeren als bewijs de duidelijke betekenis van de Qur’aan en overleveringen. Enkele fuqaha’ en geleerden van kalaam onder onze imaams zijn van de mening dat zij werden beschermd tegen kleine zonden, net zoals zij beschermd werden tegen grote zonden, en dat de positie van Profeetschap betekent dat de Profeten ver boven het begaan van zonden of vrijwillig ingaan tegen Allaah’s verordeningen waren. Zij gaven commentaar op de verzen en ahaadeth die verwijzen naar fouten aan de kant van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en zij interpreteerden hen op een andere manier dan de duidelijke betekenis. Zij zeiden dat deze verzen en ahaadeeth verwijzen naar incidenten waar een Profeet zijn daden baseerden op zijn eigen redenering, of dat hij deed wat hij deed uit vergeetachtigheid, of met toestemming van Allaah in kwesties waar hij vreesde dat hij er om verweten zou worden, of het konden vergissingen zijn de hij maakte voor Profeetschap. Deze laatste mening is de correcte. Dit zijn de woorden van al-Qaadi ‘Iyaad, moge Allaah hem genadig zijn. En Allaah weet het het beste.
Uit respect jegens de positie van Profeetschap, zeiden de Profeten dat wie een van de Profeten belastert een kaafir is en geëxecuteerd moet worden.
Shaykh al-Islam Ibn Taymiyah zei in Majma’ al-Fataawa, 35/123
De imams zijn het er over eens dat wie een Profeet beschuldigt geëxecuteerd moet worden. En een beschuldiging van overspel is de ergste soort beschuldiging. Zie ook vraag no 22809.
Ibn Qudaamah (moge Allaah hem genadig zijn) zei in al-Mughni, 12/405
Wie de moeder van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) lastert moet geëxecuteerd worden ook al toont hij berouw of hij nu een moslim is of een kaafir, maar als hij berouw toont zal zijn berouw geaccepteerd worden door Allaah, maar er zal niet worden afgezien van het vonnis van zijn executie wegens zijn berouw, wegens de rechten van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem)
Toen zei hij:
De regelgeving betreffende laster van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) is zoals de regelgeving van laster van zijn moeder, want zijn moeder lasteren brengt een vonnis van executie omdat het een laster is tegen de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en tegen zijn afkomst.
En Allaah weet het het beste.
Zie Zaad al-Ma’aad, 1/77; al-Seerah al-Nabawiyyah door Dr. Akram Diya’ al-‘Umari, 1/112-114; al-Seerah al-Nabawiyyah door Dr. Mahdi Rizq-Allaah, p. 132; Af’aal al-Rasool (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) door Dr. Muhammad Sulaymaan al-Ashqar, 1/139-165; Ahkaam al-Qur’aan al-Kareem, 3/576.
Islam Q&A
Vertaald uit het Engels door Amal
Moge Allah mij vergeven voor het maken van eventuele vertaalfouten, ameen
Nieuwere artikelen:
Oudere artikelen:
|